insect redux

[…]
naast m’n bed staat een man.

hij draagt een wit, beschermend pak.
plastic om z’n schoenen. een mondkapje en

felgele, latex huishoudhandschoenen.

de man buigt voorover, doet z’n mondkapje af
en beweegt zich naar me toe.

‘stil maar,’ zegt-ie, ‘ik raak je niet echt aan.
er zit kunststof om m’n handen.’

de mouwen van het pak zijn rond z’n polsen vastgeplakt met tape.

‘als je wilt dat het ophoudt,’ zegt-ie,
‘hoef je alleen maar ‘stop’ te zeggen.’


het programma dat u probeert af te sluiten
is in gebruik.

I
‘kan ik u helpen,’ vraagt hij.

‘ik zoek een zonnebril met donkere glazen,’ zeg ik.
‘ze mogen niet zien waar ik naar kijk.’

de man loopt naar het rek, staat stil en
beweegt z’n rechterhand, vingers gespreid, langs de brillen.

hij pakt er 1. ‘deze misschien,’ zegt-ie
en hij geeft me de bril aan.

de man kijkt naar een plek schuin achter me.
ik zet de bril op.

ik hoor de man zachtjes neuriën.

het ritme komt diep in m’n hoofd terecht.

geef me opties, denk ik.
hij knikt.

II
ik blijf de hele tijd dezelfde 5 seconden
van een liedje horen.

niets om me heen maakt geluid.

in m’n hoofd zing ik toonloos mee
met eigen woorden:

‘wie niet weg is, wie niet weg is…’

m’n gezicht maakt kleine, snelle bewegingen.

de mensen die me aankijken lijken af te tellen.

ik stap op een putdeksel. de 5 seconden
beginnen opnieuw:

‘…wie niet weg is, is gezien.’

ik houd de impuls op weg naar m’n mond
net op tijd tegen.

III
ik draai de kraan dicht en wacht tot ik
de douchecabine uit mag komen.

er is een patroon dat ik in de condens
op het plexiglas moet tekenen.

als het af is trek ik de deuren precies ver genoeg open
en stap, met m’n linkervoet eerst, op de tegels.

ik kijk naar het plexiglas en weet niet
waar ik moet beginnen.

IV
de sigaret in m’n mondhoek is uit.
op m’n tong kleeft de smaak van verbrand filter.

er komt een stem uit de man op tv.
hij weet dat ik luister.

‘de zenuwuiteinden in je vingertoppen zijn op zoek
naar iets om pijn te doen.’

ik zet het geluid hard.
ik wil geen woord missen.

als ik een fout maak krijg ik straf.

V
zwart, plastic montuur.
donkergrijze glazen.

ik ken het model. dit is een goedkope versie,
merkloos en lastig te traceren.

ik sta voor de spiegel en kijk naar mezelf met de bril op.

in het felle licht in de winkel zijn m’n ogen
achter de glazen onzichtbaar.

ik weet waar ik naar kijk omdat ik het zie.

VI
tegenover me zit een man.
we zijn stil. z’n handen liggen voor hem op tafel.

net voor hij opkijkt likt de man z’n lippen.

‘ik ben jim,’ zegt-ie langzaam

en hij tikt bij elke lettergreep met een wijsvinger
op het witte tafelblad.


I
iemand praat. de stem klinkt mechanisch.
af en toe verandert de toonhoogte.

de stem stelt vragen.

er is een witte tafel en kunstlicht.
na de vragen komen geen pauzes om antwoord in te geven.

ik heb een fout gemaakt, denk ik.
ik zit en zeg niets.

op de tafel liggen 2 handen. ik geef ze de opdracht
elkaar aan te raken.

de handen reageren. ik voel een structuur die ik herken.
de stem hapert en valt weg.

er is iets verplaatst.

om m’n rechterpols zit een plastic bandje.
op het bandje staat een reeks cijfers en letters
en een qr-code.

‘er is een geheugen dat los van mij bestaat,’ zeg ik.
‘het geheugen bevat instructies.’

ik doe m’n ogen dicht en luister naar het zoemen
van de lampen boven me.

II
01:21. in de kamer naast me schreeuwt iemand.
zo te horen staat hij vlak achter de deur.

ik versta alleen: ‘…control-alt-delete…ik ontsnap…
soft reset…’

de nachtverpleging komt. ze gaan naar binnen.
2 of 3 verschillende stemmen praten door elkaar.

‘ga zitten. kalmeer.’

er valt iets om. snelle voetstappen
lopen weg van de kamer.

een paar minuten later het geluid
van met hard rubber beklede zwenkwieltjes op de gang.

iemand huilt.

III
in een mri-scanner worden protonen in het lichaam
onder invloed van een magnetisch veld gebracht.

er worden pulsen elektromagnetische straling uitgezonden.
bij specifieke frequenties treedt resonantie op:

de protonen absorberen kort de uitgezonden energie
en vallen daarna terug in hun grondtoestand.

hierbij komen zeer zwakke radiogolven vrij
die worden opgevangen door gevoelige antennes.

IV
constant hetzelfde korte woord zonder pauze
op herhaling.

ik weet niet of ik het denk of dat iemand het zegt.
ik zweet.

hij is 20 minuten te laat.
ik hoor m’n kiezen over elkaar schuren. ik voel het niet.

30 tabletten per potje. 5 milligram per tablet.

er zit te weinig vocht in m’n mond.
ik weet op wat voor auto ik wacht.

23 minuten. 34 stoeptegels van mij
tot de vrouw die er ook al lang staat.

1 potje, 40 euro. 18:30. de kiss+ride bij de bioscoop.

ik begin te denken dat ik de vrouw eerder ergens heb gezien.
‘het straatbeeld is normaal,’ zeg ik tegen mezelf.

V
07:18. ik kan ruiken dat de vloer recent is gedesinfecteerd.
ik blijf staan. verder lijkt alles hetzelfde.

aan het eind van de gang zit hoog tegen de muur
een cctv-camera geschroefd.

de kabels zijn weggewerkt in het beton.

ergens in het gebouw
worden de beelden verzameld en opgeslagen,

na een vastgestelde periode gewist.

op de plattegrond met evacuatieroutes
is niet aangegeven waar de kabels samenkomen.

VI
na digitalisering van de ontvangen signalen
worden de ruwe data tijdelijk opgeslagen in een matrix.

de ruimtelijke verdeling van de data houdt verband
met het soort informatie dat erin gecodeerd is.

contrast in het centrum.
beeldresolutie in de perifere delen.

aan het eind van de scan, als de matrix vol is, levert
een wiskundige transformatie van de verzamelde datapunten
de constructie van het beeld.

VII
26 minuten. natuurlijk zijn de potjes geseald.
ze komen direct uit het magazijn.

tegen de glazen buitenwand achter me
hangen filmposters in zwarte frames: hier te zien in 3d.

in een donkere zaal kijken mensen met brillen op
naar een scherm
en zitten met surround sound midden in de actie.

29 minuten. m’n benen trillen.
ik probeer rustig te ademen.

in de hal van de bioscoop staat een frisdrankautomaat.

ik snap hoe de frisdrankautomaat werkt.

ik wil calorieën die ik in vloeibare vorm kan innemen.

19:07. ‘de atomen waar ik uit besta
hebben mijn samenhang niet nodig,’ zeg ik.

ik stap uit.
90 tabletten in 3 potjes in een plastic tasje in m’n tas.

VIII
bij de beeldconstructie moet rekening worden gehouden met
ruis.

een deel van de verstoringen wordt veroorzaakt
door de hardware.

hij doet de deur open.
ik loop met hem mee naar binnen.

grijsblauwe vloer.
beige muren.

de lucht lijkt niet te bewegen.

links van ons is een 2e deur naast een raam
van veiligheidsglas.

het licht in de ruimte achter het glas is feller
dan in de ruimte waar we staan.

tijdens de scan kan de man vanuit de andere ruimte
dingen tegen me zeggen via een intercom.

het organisme is een ordening.

om in stand te blijven moet het massa
en energie uitwisselen met de omgeving.

een deel van de verstoringen wordt veroorzaakt
door het testsubject.

IX
het gebouw en ik zijn ten opzichte van elkaar verschoven.
ik loop vanuit m’n kamer de gang in. de afstand klopt niet.

rode stip op de plattegrond: u staat hier.

ik draai m’n gezicht naar de camera
en duw een opgestoken wijsvinger tegen m’n lippen.

beelden die niemand ziet op een harde schijf.

het organisme is een open systeem.
alles wat het aanraakt heeft een effect.

er zijn processen die je bijna niet kunt waarnemen.

niet alle reacties zijn in real time.

ik leg m’n handen op m’n ogen.
ik denk dat er dingen met grote snelheid onderweg zijn.

ik zend elke 0,5 seconden 1 ping uit voor echolocatie
en zoek naar de vervormingen in wat terugkomt.

‘misschien doet het geen pijn,’ zeg ik.

op de plekken waar het geluid
tegen de binnenkant van de gang botst

houdt m’n lichaam op.


0

XII
de bril past niet precies.
de plastic poten klemmen te strak om m’n hoofd.

als ik hem afzet blijft er boven m’n oren een zwakke afdruk staan.

2 rode strepen die bijna een halfuur nodig hebben
om compleet te vervagen.

ik weet niet wie er tegenover me zit.
ik vraag hem me aan te kijken en te vertellen
wat het effect van de bril is.

het antwoord is belangrijk.

‘het is onmogelijk het effect zelf waar te nemen.’ zeg ik.
de donkere glazen verbergen niets.

ik zie een hoofd met een bril op en ken tegelijk
de inhoud van het hoofd.

we zitten dicht bij elkaar. ik wacht.
hij knikt. ‘oké’ zegt-ie.

XIII
iemand neuriet een ritme. het ritme
krijgt woorden. de woorden vormen een zin:

‘jim is een levenloos ding. jim is een levenloos
ding.’

de zin komt diep in m’n hoofd terecht.
het doet pijn.

het soort pijn dat je voelt als je met iets scherps in je huid krast.

opnieuw en opnieuw met dezelfde beweging in dezelfde richting
zodat de kras dieper wordt.

‘jim is een levenloos ding.’

jim is fysiek in mij aanwezig.
hij is op de plek waar het pijn doet.

hij houdt oogcontact van binnenin, vanaf de plek
waar ik hem zie.

m’n brein corrigeert het beeld omdat het voelt welke positie
ik in de ruimte inneem.

XIV
15,6 millimeter van het netvlies tot de binnenkant van de lens.

3,7 millimeter door de lens.

2,9 millimeter tussen de voorkant van de lens en het hoornvlies.

541 micrometer door het hoornvlies.

ik wil weten wat het effect van de bril is.

ik wil de zin die ik hoor niet meer horen
omdat ik bang ben dat hij waar is.

20 millimeter tussen het hoornvlies en de binnenkant van de glazen.

1 millimeter door het polycarbonaat
plus een onbekende afstand door de coating.

70 centimeter van de buitenkant van de glazen
tot de persoon die me aankijkt.

XV
het enige wat ik hoef te doen: precies het goede moment vinden.

ik tel af.

het moment waarop het proces kan worden omgekeerd.

ik tik met een vinger op het tafelblad.
ik tik met de punt van m’n schoenzool op de vloer.

de vinger verandert het tafelblad.
de vloer verandert de punt van m’n schoenzool.

als ik ‘stop’ zeg komt er niets tot stilstand.

alsof iemand loopt en zich 180 graden omdraait,
zonder te stoppen.
zonder dat de verandering tijd kost.