proza

Een lichaam, op zich
(Kortverhaal voor Extra Extra-Magazine)

Hoe komen we hier terecht? De vloer is van egaal maar onafgewerkt beton, grijstinten met de sporen – de krullen, swirls, wervelingen – van de vloeibare fase, van het begin. De stoelen hebben groen gelakte, stalen poten en triplex zittingen, rugleuningen.

Er zijn mensen die beweren dat er diep in ons geheugen nog de beelden zitten van onze vroegste leefomgeving. Niet die van ons persoonlijk, maar van ons als soort. Een zwakke, groene glooiing en hier en daar struikgewas en bomen… Hoe komen we hier terecht? Tussen deze industriële hoeken, onder een opengewerkt plafond waar we de buizen en draden en isolatiematten zien die ons comfortabel houden? Ik voel me hier prettig. Omsloten.

– Mag ik één grote cappuccino?
– Jazeker, welke bonen?
– Colombiaanse. Ik ben op zoek naar een hint van chocolade.

Ik kies een plek en ga zitten, met m’n rug in een hoek en m’n blik de zaak in. Heb ik deze plek gekozen, of lokt de hoek me zonder dat ik het weet? Een schim van een omhelzing. Een omhelzing van beton.

En pruttelend zakt de metalen stoom blazende buis van de machine in de volle melk.

Een jongen zet m’n koffie op tafel. Een ingehouden, doffe tik, en meteen weet ik niet meer waar ik net aan dacht.

– Alsjeblieft, één grote cappuccino.
– Dankjewel.
– …toen hebben ze me opengesneden. Verdoofd en opengesneden, maar ik zeg je: drie dagen later stond ik buiten, zo goed als nieuw, zei ik dan.

Dit wordt niet gezegd door de jongen die de koffie brengt. Vlak bij het raam, aan de voorkant van de zaak, zit een grijzende man aan de telefoon. Het is niet dat-ie bijzonder hard praat, maar hij heeft zo’n stem die sommige zinnen ver van de mond duwt. Opeens heel helder, alsof de zin zich behendig om de andere mensen beweegt, om de andere stemmen heen.

– Wilde je suiker?
– Nee.

De buitenkant van de koffiekop is op een prettige manier glad, maar nog te heet om m’n handen omheen te vouwen dus streel ik de kop met m’n vingertoppen. De grijzende man vlak bij het raam is opengesneden geweest. Opengesneden… een woord met een klank die niet lijkt te horen bij het gevoel van een levend lichaam. Wat moesten ze in het lichaam van die man?

Als een huid, denk ik, een huid die langzaam afkoelt. De meeste mensen vinden 70 graden de ideale temperatuur voor hun koffie. Een huid die bijna twee keer zo warm is als normaal, denk ik en ik streel de kop met m’n vingertoppen.

– Het klinkt soms erger dan het is, zegt de man, je moet rustig blijven.

Tussen hem en mij in, ongeveer in het midden, zit een meisje dat dunner is dan ze zou moeten zijn. Fascinerend dun. Ziekelijk dun. Ze heeft een lichaam dat aan het verdwijnen is, ze is nu nog even hier.

Het grootste deel van het gewicht dat je verliest als je afvalt, bestaat uit vet. Het grootste deel van het vet dat je verbrandt, adem je uit. De restproducten van het vet, bedoel ik. Een klein deel wordt omgezet in iets dat vettig water heet. Ik kijk naar het meisje en stel me een soort extreem verdunde boter voor, haar laatste reserves. Straks zal haar lichaam zichzelf opeten, zichzelf consumeren, om te blijven werken, om warm te blijven.

En haar botten, zo dichtbij, haar ribben met alleen de huid eroverheen. Eén heel dunne laag die haar binnenkant afschermt van de wereld. Van mij.

Ik voel m’n eigen botten op de zitting van de stoel, m’n eigen harde botten en even lijkt het alsof we samen één lichaam zijn dat hier is gaan zitten.

– …wat ze weggehaald hebben? Niets, zegt de man, ze hebben alleen gekeken.

Hij klinkt nonchalant, alsof hij constant denkt: we hebben het hier alleen maar over organen. Over vlees. Alsof hij probleemloos al zijn weefsels uit kan doen en er dan nog is.
Aan de blik van het meisje kan ik zien dat zij hem gehoord heeft. Aan mijn blik zou het meisje kunnen zien dat ik hem gehoord heb, maar ze kijkt niet. Ze kijkt naar niemand.

Ze verdwijnt, en ik stel me voor dat ze verdwijnt zoals lucht uit een ruimte. Dat er traag onderdruk ontstaat, een onvolkomen vacuüm, een duwende kracht die de nieuwe leegte wil vullen. Zoals de longen volstromen met lucht omdat de borstkas groter wordt. Ik vraag me af wat er nog van haar over is op het moment dat m’n, in de stroom meegetrokken, lichaam bij haar aankomt. Of ik haar nog aan kan raken. Of ik tot stilstand kom precies op de plek waar het laatste deel van haar verdwijnt.

Er zijn honden die getraind zijn om mensen op te sporen onder het puin van ingestorte gebouwen. Wat ze ruiken is de specifieke geur die wordt uitgeademd door een lichaam dat verhongert. Een fruitige geur, die, in een vergevorderd stadium, ook door mensen wordt geroken.

En een lichaam dat lang genoeg in m’n blikveld is verbleven om, met gesloten ogen, voor me te bewegen onder invloed van mijn wil. Dress-up dolly, altijd underdressed. De dingen die je denkt als je kijkt naar een object. Ik kan je draaien, je bestaat uit dezelfde materie als ik, er zijn filmpjes van je. Een object heeft kwaliteiten die je ten dele kunt vervreemden.

Ik stel me voor dat ze vraagt: hoe kom je hier terecht? En dat ik zeg: ik kan je ruiken en je laat leegte achter. Ik leun een beetje voorover in haar richting. Ik streel de kop met m’n vingertoppen, ik vouw m’n handen om de kop.

…Dat ik zeg: ik zal je in me opnemen.

Ik breng de kop naar me toe, omhoog.

En de warme holte. De donkere, warme holte bij m’n mond, tegen m’n tong de fluwelig opgeklopte melk.


Fluoride. Megabyte. Junkie.
(ELLE-column)

Op het plankje in de badkamer staat een verzameling leeggeknepen tandpastatubes. Ik poets mijn tanden niet vaak. Ik gebruik per keer weinig tandpasta. Freedent, Prodent, Cool Mint Whitener, Fresh, Zendium, tegen tandsteen, tegen gaatjes, voor een frisse adem… Het plankje is bijna vol. Op de blauwe tegelvloer onder het zwevend toilet liggen ook tubes.

Ik bewaar dingen. Nutteloze dingen. Dingen waarvan ik me herinner: aangebroken in november vorig jaar, of… Als ik geen resten heb, geen sporen achterlaat in m’n omgeving, ben ik bang te vergeten dat ik de afgelopen maanden heb bestaan.

Leeggeknepen tandpastatubes zeggen: je bent hier niet plotseling terechtgekomen.
Leeggeknepen tandpastatubes zijn een soort extern geheugen, als een foto-album of een USB-stick.

Op 6 september 1951 schiet de schrijver William Burroughs in Mexico-Stad zijn vrouw Joan dood. Zij is dan 28. Tijdens een feestje zet ze een glas op haar hoofd en vraagt haar man het glas met een pistool kapot te schieten. Hij gaat dichtbij staan. Lacherig zegt ze nog dat ze niet tegen bloed kan. De kogel komt terecht in haar hoofd. Burroughs heeft later beweerd dat hij door deze gebeurtenis in contact kwam met iets duisters in zichzelf. Hij schreef om te ontsnappen. Niet aan haar dood maar aan wat hij in zichzelf gevonden had.

Andere mensen zijn externe geheugens. Ze bevatten onze sporen. Heeft Burroughs, per ongeluk, een deel van zichzelf gewist?

In de intercity van Gouda naar Utrecht zit aan overkant van het gangpad een stel. Ze zijn midden 40 (gok ik) en komen net terug van een vakantie in Parijs (het woord ‘Eifeltoren’ valt en ‘foto’s’). Tussen hen in staat een grote, rode koffer met een naamsticker erop. De man heeft een vreemd baardje, een ongerijmd baardje. De vrouw heeft een nogal buitenissige botstructuur in haar gezicht. Ze zou een nichtje van Joni Mitchell kunnen zijn, 20 jaar geleden, een nichtje waarvoor de familie zich een beetje schaamt, een nichtje dat niet ten volle functioneert.

Het stel lijkt elkaar niet, zoals zo vaak op die leeftijd, in die context, onaangenaam te vinden. Zonder het te willen stel ik me ze voor in een Parijse hotelkamer. Op bed in een Parijse hotelkamer. Ze ruiken allebei naar de gratis shampoo van een redelijke keten in de hospitality business en zij pijpt hem. Hij ziet een deel van zijn lichaam tussen de lippen in dat vreemdgevormde gezicht verdwijnen.

Ik ben blij dat ik de namen op de sticker niet kan lezen.

Burroughs’ laatste dagboeknotitie luidt: Love? What is it? Most natural painkiller what there is. De meeste junkies zien er aan de buitenkant niet zo goed uit. Shot na shot, lijn na lijn, pil na pil, laat de drug zijn sporen na. Lege envelopjes, littekens aan de binnenkant van armen zeggen: je bent hier niet plotseling terechtgekomen. Achter de strakgetrokken weefsels van de junkie raken de reserves op.

Ik heb de sporen nodig. Ik wil de sporen wissen. Er is geen plek op m’n lichaam waar ik niet door iemand ooit ben aangeraakt. Ik open in Paint een .jpeg van mijn gezicht en selecteert de gum. Shot, lijn, pil, ik neurie met Mick Jagger mee Tell me, Sister Morphine, when are you coming round again… elke junkie raakt uiteindelijk strung out.


Ces gens-là
(ELLE-column)

Op grote stukken van de weg langs de singel rond de Utrechtse binnenstad, is sinds kort de auto te gast. Dit wordt onder meer aangegeven met borden waarop een Dick-Brunapoppetje op een fietsje staat afgebeeld. Een poppetje met een bijna psychotisch vrolijke buitenkant.
Ik fiets vaak op de weg langs de singel. Niet als onderdeel van een route tussen huis en een plek waar ik moet zijn, maar als onderdeel van een zelfbedachte therapie: blootstelling aan de buitenwereld. Ik ben al bijna een jaar lang elke keer als ik m’n huis verlaat, bang. Niet zozeer voor de prullenbakken, lantaarnpalen en aangeplante bomen, maar voor de mensen die zich daartussen bewegen. Alhoewel, misschien meer nog voor de ruimte om me heen en de afstand tot de mensen. Om uit te zoeken hoe het zit, betaal ik momenteel een ter zake kundige zzp’er 90 euro per consult.

Eerste consult
Ik word geiler van schilderijen en foto’s van vrouwen, dan van echte vrouwen. De fictie is geiler dan de werkelijkheid omdat ze veiliger is. Opgesloten achter het oppervlak van het werk; niet in staat een arm naar me uit te steken. Eerlijk gezegd weet ik niet eens meer zeker of ik wil dat iemand me aanraakt. Vreemd genoeg niet omdat ik het echt niet wil, maar omdat het me meer en meer onmogelijk lijkt. Ik zit muurvast in de smalle liftcabine van mijn vervormde logica, terwijl ik mezelf voorheen nu niet direct beschouwde als een ten principale logisch denker.

Tweede consult
Parallel aan mij gebeurt van alles. Ik kan er alleen erg weinig mee. Ik bedoel, een amoebe reageert ook op de omgeving en voor de vluchtige blik is dat wellicht een reden te denken dat-ie heel erg in touch is met de dingen om zich heen, maar er ontbreekt iets. Daarbij komt: als mens wil je toch wat meer klaarspelen dan een eencellige. Dat van die schilderijen en foto’s is natuurlijk onzin…
Op straat en op de terrassen, in de parken; overal bijzonder geprononceerde bipsen, in hoog opgetrokken denim boven zwarte, lederen schoenen met dikke, rubberen zolen en hoge, blokkige hakken. Parallel aan mij gebeurt van alles en ik fiets woedend rond in mijn onvermogen. Zoiets.

Derde consult
Alle vrouwen zijn mensen, maar niet alle mensen zijn vrouwen. Ik sta ambivalent tegenover aanraking door wie dan ook en ik zou ook niet willen beweren dat alle mensen bijzonder geprononceerde bipsen hebben, of zouden moeten hebben.
Ik fiets nog steeds meerdere keren per week op de weg langs de singel. Om de angst onder controle te houden ben ik begonnen binnensmonds te zingen. Meestal makkelijke melodieën. Zo nu en dan leidt dit tot gênante situaties. Verder denk ik vaak aan Jacques Brel. Op de youtube-filmpjes staat hij tegen een zwarte achtergrond die hem min of meer lijkt te omringen. Zijn wilde bewegingen in dat zwart voelen noodzakelijk en angstloos. Alsof het geen probleem is: een lichaam in een ruimte.

‘Ik fiets hier,’ zeg ik tegen mezelf. Ik ben een mens, maar niet alle mensen zijn mij. Soms grijns ik naar het poppetje. We lijken op elkaar, denk ik dan. Misschien zijn we niet per se vrolijk of psychotisch, maar we zitten vast aan onze buitenkant, opgesloten achter een moeilijk breekbaar oppervlak. Je kunt van ons houden, maar we zijn niet helemaal echt en we houden ook van jou.